Rust, Reinheid & Regelmaat

Ik zat te denken hoeveel een goede leerstrategie eigenlijk te maken heeft met de 3’s: Rust, Reinheid & Regelmaat. Je hebt het me al vaker horen zeggen en dat is dat een leerling met dyslexie beter leert met overzicht en structuur. Die gedachtegang heeft niet alleen te maken met HOE de lesstof AANGEBODEN wordt maar ook met HOE de lesstof AANGELEERD wordt en WAAR deze aangeleerd wordt. Je kunt niet overzichtelijk werken als de plek waar je dit probeert te doen een grote puinhoop is.    Dit keer gaan we daarom ook eens kijken naar de huiswerkplek. Hoe ziet een goede huiswerkplek eruit? Is er eigenlijk wel ruimte op het bureau zodat als we willen gaan beginnen met bijvoorbeeld Engels er überhaupt ruimte is om dat te gaan doen. Of liggen er al zoveel…

Lees verder

Waarom is Engels leren zo moeilijk?

Waarom is Engels moeilijk

Dyslecten hebben moeite met de fonologische verwerking van taal. Dit betekent dat er een verminderd bewustzijn van de klankstructuur is. In de praktijk houdt dit in dat er moeite is met het om kunnen zetten van letters in een klank en klanken in een letter. Hier kun je lezen waarom Engels dan zo moeilijk is. Wat zijn de specifieke problemen bij het leren van Engels.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • Moeite met het verdelen van woorden in klanken
  • Moeite met het samenstellen van woorden uit losse klanken
Specifieke problemen bij het leren van Engels

Als we dan gaan kijken naar het leren van Engels zien we een aantal specifieke problemen.

Er is geen of beperkte kennis van de uitspraak

  • Er is moeite met spellen. Doordat er weinig inzicht is in de woordopbouw is er meestal grote moeite om woordbetekenissen te herleiden.
  • Er is moeite met het onthouden van de te leren woordjes.
  • Er is onvoldoende resultaat van intensief oefenen.

Dit zie je ook terug in de overige vaardigheden (spreken, luisteren, begrijpend lezen en schrijven).

Maar het grootste struikelblok is het aanleren van de nieuwe klank- en tekenkoppelingen. Het Engels is niet transparant zoals het Spaans en Italiaans.

Het alfabet bestaat gewoon uit 26 letters maar hiermee maken we 44 klanken. In Engeland wordt er aandacht aan besteed maar in Nederland is hier nauwelijks aandacht. Dit inzicht hebben dyslecten juist zo hard nodig.

Als we hier wat dieper op ingaan zien we bijvoorbeeld dat iedere taal zijn eigen klanken heeft. Duits ligt bijvoorbeeld dicht bij het Nederlands. Maar in het Engels krijgen we te maken met klanken die wij in het Nederlands niet kennen zoals “th” van “the” en de “sh” van “ship”.

Het Engels is ook nog eens de minst klankzuivere taal die er is. Spaans is wat dat betreft veel makkelijker; je schrijft wat je hoort.

Dit in ogenschouw nemend is het erg jammer dat er in Nederland geen aandacht wordt besteed aan spelling- en uitspraak onderwijs. Zeker als je bedenkt dat een goede uitspraak in veel gevallen leidt tot een correcte spelling.

Op Engelse scholen wordt er vanaf het 3de jaar uitgebreid aandacht aan besteed maar op Nederlandse scholen worden kinderen wat dat betreft in het diepe gegooid. Hij wordt geacht zelfstandig woordjes te leren en zelf een systeem te  ontdekken in voor hem onbekende klanktekenkoppelingen.

Eigenlijk is ieder kind gebaat bij overzicht maar voor dyslectische kinderen is het cruciaal.  Iedere leerling zou daarom baat hebben bij een uitgebreider uitspraak- en spellingonderwijs. Het is daarom belangrijk om inzicht te hebben in het systeem. Hoe werkt het nu precies?

Het Engels klanksysteem

Hoeveel klinkers zijn er? 5! Klopt. a,e,i,o,u

Maar hoeveel klinkerklanken zijn er? 20! We kunnen de klinkerklanken onderverdelen in korte klinkers, lange klinkers en tweeklanken.

Korte klinkers

Hier zijn wat voorbeelden van korte klinkers:

fish, cat, clock, umbrella, computer, egg and up

Lange klinkers

Dit zijn lange klinkers:  tree, car, horse, boot, bird

Tweeklanken

Als laatste hebben we de tweeklanken: train, bike, owl, boy, ear, chair, tourist

Stemhebbende medeklinkers

Daarnaast zijn er 24 medeklinkers. Die kunnen we onderverdelen in stemhebbend en stemloos. Bij stemhebbende medeklinkers trillen de stembanden mee en bij stemloze medeklinkers niet.

Kijk maar eens naar het verschil tussen de “p” en de “b”. Wie hoort het verschil tussen  deze woorden? pet, bed en tussen de “d” en de “t” – bad, bat

En het verschil tussen de “v” en de “f”. Hoe spreek ik deze woorden uit? very, ferry

Als je dit verschil nooit uitgelegd hebt gekregen vraagt je zoon, dochter, leerling zich waarschijnlijk af waarom jij het over een “vleermuis” hebt terwijl je “slecht” bedoelt.

Dit zijn nog wat voorbeelden van stemhebbende medeklinkers: bag, dog, girl, jazz, leg, monkey, nose, singer, right, television, mother, vase, witch, yacht, zebra

Stemloze medeklinkers

Als laatste hebben we hier voorbeelden van stemloze medeklinkers: parrot, key, flower, T-shirt, snake, shower, thumb, chess, house

Spelling vs uitspraak

Hoewel het belangrijk is dat er inzicht is in de uitspraak omdat deze samenhangt met sommige spellingen zijn er ook veel verschillen tussen spelling en uitspraak. Dit maakt het Engels ook zo moeilijk.

Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van eenzelfde letter maar met verschillende klanken:

Voorbeelden: dough, enough, through, bought, cough

Spelling vs uitspraak

Of woorden die dezelfde klank delen maar geschreven worden met verschillende letters.

Voorbeelden:

day, great, name, eight

two, blue, loo, fruit, news, Europe

milk, busy, biscuit, minute, wait

Spelling vs uitspraak

Er zijn ook veel meer uitzonderingen (veel meer weet-woorden). Woorden die je moet inprenten/uit je hoofd moet leren

Voorbeelden:

laugh, rich, much, such


(meer…)

Lees verder

Hoe leer je veelgemaakte fouten af?

veelgemaakte foutenHet is zo frustrerend als je steeds dezelfde fouten maakt. Fouten die je afhouden van een hoger cijfer tijdens een toets. Fouten die je weerhouden om je Engels naar een hoger niveau te brengen. Hoe leer je deze veelgemaakte fouten af?  

Foutenanalyse

Probeer niet te veel te veranderen in een keer. Het is belangrijk dat je inzicht krijgt in de taal en hoe je deze moet gebruiken. Wat is de functie van elk verschillend onderdeel. Waarom gebruik je ze en hoe helpen ze je om je boodschap over te brengen. Taal is communicatie. Grammatica en woordenschat zijn de bouwstenen die je hierbij helpen. Je wilt graag dat je vraag, verzoek of opdracht goed begrepen wordt.

In plaats van alles tegelijk aan te pakken en te proberen deze veelgemaakte fouten af te leren is het is het veel effectiever om je je te concentreren op een fout per keer. Pak een onderdeel waarmee je aan de slag gaat; lees bijvoorbeeld alle grammatica over dit onderwerp nog eens door. Als je een artikel leest, ga je actief op zoek naar dit grammatica aspect. Kijk hoe het gebruikt wordt en hoe jij dit ook zelf kunt gaan toepassen.

Om structureel aan het werk te gaan we gebruik maken van de onderstaande analyse. Deze analyse bestaat uit 26 typische fouten. Vergelijk deze lijst met fouten die jij regelmatig maakt. De veelgemaakte fouten plaats je in een categorie en hiermee ga je vervolgens aan de slag.

Pas als je de betreffende fout hebt afgeleerd, ga je door naar het volgende punt op de lijst.

Puntenlijst om af te werken
  1. Enkelvoud en meervoud van zelfstandige naamwoorden

(nouns – singular and plural)

  1. Lidwoorden (articles)
  1. Voornaamwoorden (pronouns)
  1. Some/any en much/many – woorden die hoeveelheden aangeven (quantifiers)
  1. Hoofdtelwoorden en rangtelwoorden (cardinal and ordinal numbers)
  1. Het gebruik van data en tijden
  1. Voorzetsels (prepositions)
  1. Het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden (adjectives)
  1. De verschillende vormen bijwoorden (adverbs)
  1. Het verschil tussen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden
  1. Woordvolgorde in bevestigende zinnen (affirmatieve sentences)
  1. Woordvolgorde in negatieve zinnen (negative sentences)
  1. Woordvolgorde in vraagzinnen (questions)
  1. De plek van bijwoorden in zinnen
  1. Het gebruik van de verschillende tijden (tenses)
  1. De werkwoordsvormen van de verschillende tijden
  1. Conditionals (if-clauses)
  1. Hulpwerkwoorden (auxiliary verbs)
  1. Korte antwoorden (tags questions)
  1. Werkwoorden met een vast voorzetsel (phrasal verbs)
  1. Hele werkwoord (Infinitive)
  1. Het werkwoord als zelfstandig naamwoord (gerund)
  1. Deelwoorden (participles)
  1. Betrekkelijke bijzinnen (relative clauses)
  1. Indirecte rede (reported speech)
  1. Lijdende vorm (passive voice)


(meer…)

Lees verder

Zo houd je je hoofd koel tijdens je examen!

Schrijf je hier in!Hoe houdt je je hoofd koel tijdens het examen

Het is heel normaal om je gespannen te voelen voor een examen. Dat houd je scherp. Maar wat te doen als je gepieker negatieve invloed gaat uitoefenen op je prestaties. Gedachtes als “Het lukt me toch niet”, “Ik haal toch nooit genoeg studiepunten”, of “Help, ik weet niets meer!” zijn enkel ondermijnende gedachten die je aandacht weghalen bij het examen. Hoe houdt je je hoofd koel?
De kracht van de gedachten

Stop met piekeren! Gedachten zijn een krachtig middel in het creëren van een werkelijkheid. Denk jij maar vaak genoeg dat je iets kunt, dan is de kan groot dat het je ook gaat lukken. Jezelf dingen gaan verwijten of aan je uitslag twijfelen mag best na het examen maar heeft geen enkele zin tijdens het examen. Schrijf ze in je hoofd op een papiertje en gooi het vervolgens weg. Breng je aandacht vervolgens weer terug naar het examen.

Trek je eigen plan

Laat je niet van de wijs brengen door de negatieve gevoelens die bij veel anderen heersen zo vlak voor het examen. Negeer ze of vraag degene ermee op te houden. Niemand heeft wat aan de opmerkingen: “Ik ben zo zenuwachtig, ben jij ook zo zenuwachtig?”. “Ik heb gehoord dat het heel moeilijk is”. “Meestal zakt de helft op dit onderdeel”. Bouw zelfvertrouwen op waar je op deze momenten op terug kunt vallen. “Ik heb me goed voorbereid”. “Ik heb een degelijke examenstrategie”. “Ik kan dit”.

Weet hoe het examen eruit ziet

Als je weet wat je kunt verwachten, kun je jezelf beter voorbereiden en dit geeft je zelfvertrouwen weer een boost. Als je weet hoeveel onderdelen er zijn, kun je in een inschatting maken hoe lang je met elk onderdeel bezig kunt zijn. Zo verdeel je je tijd en voorkom je dat je je gaat haasten en hierdoor fouten gaat maken.

Maak gebruik van een hulpplan

Schrijf slogans op een kaartje die jou gaan helpen om je aandacht erbij te houden of je terug te brengen tijdens een paniek moment. Laat deze eventueel zien aan de surveillant in de examenzaal en lag deze voor je neer op tafel.

  • Ik heb mij goed voorbereid
  • Lees de vraag goed
  • Ik heb hoef niet alles te weten
  • Ik neem mijn tijd om rustig na te denken
  • Ik sla de vraag over die ik (nu even) niet weet
Maak gebruik van een vaste examenroutine

Met een vaste routine sta je jezelf toe om de vragen aandachtig door te lezen en je bent vervolgens in staat om zorgvuldig tot een volledig antwoord te komen. Angst kan je ertoe verleiden om het geheel af te gaan raffelen. Geef hier niet aan toe. Merk je dat in paniek raakt omdat je het antwoord niet weet, sla dat gedeelte over en steek je energie in de volgende vragen. Aan het eind keer je dan terug naar de vragen die niet wist.

De tactiek bij multiple choice

Stappenplan voor het benaderen van multiple choice vragen.

  1. Beantwoord eerst de vragen waar je zo een antwoord op hebt
  2. Vervolgens ga je naar de moeilijkere vragen.
  3. Neem je tijd om goed op aanwijzingen in de antwoorden te kijken. Welk antwoord past beste bij de vraag.
  4. Er zijn er bij 4 antwoorden meestal gelijk 2 die je kunt afstrepen. Dan moet je bij de twee overgebleven goed letten op de details
  5. Zorg ervoor dat je uiteindelijk alle vragen hebt beantwoord. Zelfs bij twijfel omcirkel je een antwoord. Wie weet is hij goed.

Pas op met het verbeteren van antwoorden. Je eerste ingeving is vaak de goede. Verbeter alleen als je 100% overtuigd bent van een fout. Verbeter nooit uit zenuwen of twijfel!

Geef jezelf de tijd om rustig over een antwoord na te denken. Want een antwoord niet a la minute weten betekent alleen dat je even moet graven.

Succes!


(meer…)

Lees verder

Wat is jouw manier van leren?

wat is jouw manier van leren

Hoe leer jij? Als je weet op welke manier jij het beste leert, kun je hier op inspelen en het maximale uit jezelf halen. Speelt alles zich af als een film in je hoofd? De wereld is niet standaard waarom jouw manier van leren van wel. Is jouw kind wellicht een beelddenker? Deze wetenschap is cruciaal voor het correct aanbieden van de leerstof en maakt een wereld van verschil in het opnemen van informatie.

Linda Silverman heeft hier onderzoek naar gedaan en dit beschreven in haar boek Upside-Down Brilliance: The Visual-Spatial Learner (Nederlandse vertaling: Omgekeerd briljant: De visueel-ruimtelijke leerling).

In het onderwijs staan we hier te weinig bij stil. De leerstof wordt aangeboden op een manier die voor 95% van de bevolking werkt maar die voor de overgebleven 5% niet of nauwelijks werkt. Het zijn de leerlingen die op school erg gevoelig zijn voor de houding van de leerkracht, erg onregelmatige cijfers halen. De leerstof wordt namelijk altijd wel of niet begrepen en nooit een beetje. De complexere onderwerpen worden eerder begrepen dan simpele taken. Er worden gemakkelijk verbanden gelegd en zodoende komen ze vaak tot intuïtieve en/of ingenieuze oplossingen voor problemen. Er wordt vanuit een overzicht geleerd en de concepten worden voor altijd opgeslagen. Stampwerk werkt niet omdat hier niet het nut van wordt ingezien.
Het zijn leerlingen die hun zaken op een geheel eigen wijze georganiseerd hebben.

Onder hen zijn de creatieve geesten maar ook ambachtelijke, technische, muzikale, emotionele en spiritueel begaafde leerlingen. Het zijn laatbloeiers die pas vaak na school hun doel vinden en dan opleven.

Een dyslect is daarom ook een beelddenker. Woorddenkers zijn auditief ingestelde leerlingen die kunnen vertrouwen op hun gehoor bij het aanleren van de spelling van woorden. Dit gaat niet op bij dyslecten, zij moeten woorden visualiseren voordat ze de woorden kunnen spellen. Ze hebben een sterk visueel geheugen en moeten hierop leren vertrouwen. Ze leren hele woorden dan ook makkelijker dan woorden spellend uitspreken zoals dat op school gebruikelijk is. Een gedeelte geeft de voorkeur aan het toetsenbord boven het schrijven. Een leerling vertelde mij eens dat hij zo de plaatsing van de letters voor zich ziet; het patroon zeg maar.

Doe de test: Ben jij een beelddenker?

1. Denk je vooral in beelden in plaats van woorden?
2. Weet jij dingen, zonder in staat te zijn uit te leggen waarom?
3. Los jij problemen op ongebruikelijke wijze op?
4. Heb jij een levendige verbeelding?
5. Herinner jij je wat je gezien hebt en vergeet je wat je hoort?
6. Ben jij verschrikkelijk slecht in het spellen van woorden?
7. Kun jij zaken visualiseren uit verschillende perspectieven?
8. Ben jij slecht in plannen, organiseren en opruimen?
9. Verlies jij vaak het bewustzijn van tijd?
10. Lees jij liever een kaart dan mondelinge aanwijzingen te volgen?
11. Herinner jij je plaatsen die je slecht een keer hebt bezocht?
12. Is je handschrift moeilijk leesbaar?
13. Kun jij aanvoelen van anderen voelen?
14. Ben jij muzikaal, artistiek of mechanisch aangelegd?
15. Weet jij meer dan anderen denken dat je weet?
16. Heb jij een hekel aan spreken voor een groep mensen?
17. Voel jij je slimmer naarmate je ouder wordt?
18. Ben jij een slaaf van je (spel)computer?

Als je 10 van de bovenstaande vragen met “ja” hebt beantwoord, ben je hoogstwaarschijnlijk een beelddenker. Bedenk wel ieder mens is uniek en iedereen uit zich op zijn manier.

Doe de test: Is jouw kind een beelddenker?

1. Is jouw zoon of dochter goed in puzzelen?
2. Houdt je kind veel van de TV en/of spelcomputer?
3. Speelt je kind graag met constructiespeelgoed (Lego ed.)?
4. Heeft je kind een levendige fantasie en kan daardoor op gaan in zijn/haar fantasiewereld?
5. Wordt hij/zijn snel afgeleid?
6. Moet je instructies vaak herhalen voordat de taken worden uitgevoerd?
7. Heeft je kind laat leren lopen?
8. Wiebelt bij/zij veel?
9. Eerst doen en dan pas denken?
10. Is hij/zij overweldigend aanwezig op verjaardagen en in pretparken (na eerst de kat uit de boom te hebben gekeken)?
11. Denkt je kind erg zwart/wit?
12. Is hij/zij perfectionistisch, faalt niet graag (zelfs van jaren geleden)?
13. Wint je kind graag en is een slechte verliezer?
14. Herinnert hij/zij zich gebeurtenissen gedetailleerd (zelfs van jaren geleden)?
15. Heeft je kind problemen met het vasthouden van een pen en een slecht handschrift?
16. Heeft je kind last van allergie, last van astma of veel oorontstekingen (gehad)?
17. Heeft je kind een goed gevoel voor humor (creatieve woordspelingen)?
18. Moeten de etiketten uit kleding geknipt worden? Draagt hij/zij graag zachte stoffen en heeft hij/zij een hekel aan harde knoopjes?

Als je 10 van de bovenstaande vragen met “ja” hebt beantwoord, is jouw kind waarschijnlijk een beelddenker.

De meeste ouders herkennen hun kind hier direct in bij het zien van de vragen. Bedenk wel dat ieder mens uniek is en zich uit op zijn eigen manier.

Als je weet hoe jij het beste leert, kun je hier je voordeel mee doen en hier zoveel mogelijk op inspelen.


(meer…)

Lees verder
Sluit Menu